Mijn Elfstedentocht
- Peter Haitsma

- 3 jan
- 23 minuten om te lezen
1. Ja, ik wil
Uitgeput plof ik thuis op de bank. Hé, hé, ik zit. Zware werkdag achter de rug. Ik heb meegeholpen met het balansen van de voorraden in het magazijn, vaste prik in de eerste week van januari.
Ik zet de tv aan. Op alle zenders hetzelfde item: de vijftiende Elfstedentocht.
Mijn jongensdroom, maar ik mag niet meerijden. Helaas.
Ik had eind jaren zeventig het adres van de Koninklijke Vereniging De Friese Elf Steden uit de krant geknipt, met het voornemen om mezelf in te schrijven als lid. Dat kon toen nog; er was geen ledenstop of wachtlijst. Wat heb ik een spijt dat ik mijn verzoek om lid te worden nooit op de post heb gedaan. Ik kan mij niet herinneren waarom niet, maar elke smoes van toen is sowieso niet goed genoeg. Stom, stom, stom! Nu ben ik vijfendertig jaar, is er een ledenstop en een lange wachtlijst; meedoen is uitgesloten. Voorgoed!
De telefoon gaat.
‘Hoi Peter,’ met Han. ‘Heb je zin om morgen mee te gaan naar de Elfstedentocht?’
'Ja, superleuk idee Han, waar wil je gaan kijken, in welke plaats?’
‘Nee, niet kijken, schaatsen. Ga je morgen mee de Elfstedentocht rijden?’
‘Maar Han, we zijn geen lid.’
‘Ga toch mee Peter, dan rijden we zwart mee!’
‘Maar kan dat wel? Ik heb dit jaar er niet voor getraind, en zelfs niet één lange tocht geschaatst.’
In mijn jonge jaren trainde ik op eigen houtje, en op mijn eigen manier voor de Elfstedentocht. Ik stond om zes uur op, om in het donker te beginnen aan de Bannetocht in het Wormer- en Jisperveld. Met plezier schaatste ik drie keer het rondje van dertig kilometer. Maar vandaag ben ik hopeloos uit vorm, zeker voor een schaatstocht van 200 kilometer.
Mijn oudere zwager Han is een oermens. Hij fietst en schaatst lange afstanden. Hij heeft de Elfstedentocht van 1986 geschaatst. Zonder geldig startbewijs, als zwartrijder. Han durft alles.
Ik hang de telefoon op, die gaat direct weer over. Zwager Jan aan de lijn.
‘Doe je mee Peter? Toevallig kwam ik vandaag mijn legerplunjezak op zolder tegen met warm ondergoed, heel handig tegen de kou van morgen. Dat moet een voorteken zijn, kan niet anders, laten we meedoen?’
Jan en ik sporten samen: tennissen, hardlopen en in de winter schaatsen op natuurijs. Jan is een techneut, dat zie je terug in zijn techniek, bij het tennissen en bij het schaatsen. Daardoor is hij beter in sporten dan ik , maar met hardlopen ren ik Jan op pure wilskracht (en een beetje talent) eruit.
Ik hang de telefoon op. Natuurlijk doe ik mee. Dit is hét moment om mijn jongensdroom in het echt te beleven. Ik haast mij naar de supermarkt en koop twee blikjes Isostar en een paar bananen. Zo, ik ben er klaar voor en fiets door naar Jan.
‘Arjan (een vriend van ons, met wie wij tennissen en schaatsen) gaat niet mee Peter. Hij vindt dat wij te veel op ons gevoel afgaan. Hij neemt zijn besluiten met verstand; dan maak je een betere keuze. Het is volgens hem onverantwoord om ongetraind en onvoorbereid tweehonderd kilometer te schaatsen met de voorspelde harde wind en kou.’
Jan en ik schieten in de lach. Die Arjan!
2. Friesland, 4 januari 1997
We stappen uit de auto, ik strek mijn stijve benen en recht mijn ietwat pijnlijke rug. Het is vroeg in de ochtend. Han vouwt op het dak van zijn auto de wegenkaart uit. We zijn na een autorit van anderhalf uur aangekomen in de buurt van Leeuwarden. Het is donker, koud en een harde wind bolt de kaart. Waar zijn we precies en hoe komen we bij de start?
De spanning neemt bij mij toe, ik heb er zin in, en heb er toch ook wel angst voor. Onze eerste zorg is of we bij de start het ijs op kunnen komen. We stappen in de auto en rijden verder op zoek naar de start. Han heeft een goed richtingsgevoel. Als we weer uitstappen horen we in de verte muziek. We lopen opgewonden die richting op. Mijn schaatsen zitten in mijn rugtas – helaas ongeslepen. Ik draag een spijkerbroek en een overhemd van ribstof. Een opgevouwen krant tussen mijn shirts moet de koude wind tegenhouden. Op zeer dringend advies van mijn moeder heb ik watten in mijn onderbroek gestopt om daar bevriezingen te voorkomen. Het is min zes graden en er waait een wind van windkracht vijf a zes, daardoor voelt het aan als min 15 graden!
Wij komen aan bij de route, en zien de toerrijders schaatsen. Geweldig! Er staan dranghekken langs de brede vaart en mannen met gele hesjes houden alles in de gaten. Wij lopen verder van de start af richting de polder, en zien een zwartrijder zijn schaatsen onderbinden.
We gaan een stukje verderop zitten. Zenuwachtig trek ik mijn schaatsen aan, en probeer ik met koude vingers de veters te strikken. Uit mijn ooghoeken zie ik iemand aan komen lopen. ‘Mag ik jullie wat vragen? Ik ben van de krant.’ Han gaat met de verslagever in gesprek. Ik zie nog een paar mannen aan komen lopen.
Hebben zij hesjes aan? Gaan zij ons tegenhouden?
De spanning in mijn lijf stijgt. ‘We moeten gaan Han’, roepen Jan en ik opgewonden.
Han blijft rustig, zoals altijd, en beantwoord nog een vraag van de verslaggever, of we alle tijd van de wereld hebben. De mannen dragen inderdaad gele hesjes en komen nu wel heel dichtbij. Han ziet er nu ook de ernst van in. Wij glijden vlug, met losse veters, het ijs op. Schaatsen een klein stukje, stoppen uit het zicht van de mannen met gele hesjes, en binden onze schaatsen goed vast.
3. Wij schaatsen
Wij ritsten ons tussen de gelukkigen met een startbewijs. Shit, nu gaat het echt beginnen. Kom maar op, tweehonderd kilometer ijs, ik ga er tegenaan. Wij schaatsen naar Sneek (22 km), de eerste stad van de elf. Op mijn rechter bovenarm draag ik een oranje band van stof, door mijn echtgenote gemaakt. Een slim ideetje van Han. Hij had gehoord dat elke deelnemer een officiële oranje band moet dragen. Rijders zonder band worden door de politie van het ijs gehaald.
De wind blaast ons naar voren. Met lange slagen rijden we relaxed de eerste 22 kilometer. Vlak voor Sneek vragen Jan en ik aan Han wanneer we gaan pauzeren.
'Als we bij Bolsward zijn,’ antwoordt Han.
Ik vraag aan Jan waar Bolsward ligt.‘ Geen idee,’ antwoordt Jan, 'Het zal wel niet zo ver weg meer zijn.’ Later bleek dat Bolsward pas na honderd kilometer schaatsen in zicht kwam!
We mogen van Han toch heel eventjes stoppen voor een banaantje. Jan krijgt er eentje van mij; hij heeft zijn trosje bananen bij de start verloren. Jan zou die dag voortdurend iets verliezen: schaatsbeschermers, een handschoen en een zakje met lekkere witte kadetjes. Ach, wat maakt het uit, we doen mee aan de tocht der tochten.
Bij Sneek zie ik een rij bussen staan op een viaduct. Hopelijk worden wij niet van het ijs gehaald, en hoeven we daar niet in om teruggebracht te worden naar Leeuwarden. Dat zal mij toch een domper zijn, van wat heb ik je nou daar. Wij schaatsen onder het viaduct door naar de eerste kluunplaats. Spannend. Een brede houten trap, en boven op de dijk ligt een stuk tapijt. De schaatser voor mij springt van het ijs op de eerste tree en sprint behendig de trap op. Ik volg hem, spring op de eerste tree en struikel meteen voorover. Ik kom op mijn handen terecht en klauter geschrokken de trap op. Ik trek de aandacht en manoeuvreer mij tactisch tussen de andere rijders, om zo onopgemerkt met de nep oranje band langs de mannen met de gele hesjes te komen. Het lukt.
Wij naderen de eerste stempelpost en rijden, zoals iedereen, richting de stempelhokjes. In de drukte keren wij om. Wij schaatsen, zonder stempeltje, snel verder. Niemand reageert. Sneek hebben we gehaald. Op naar het prachtige IJlst en daarna door naar de derde stad Sloten.
4. Verbeelding
Wij worden ingehaald door een schaatser met een wapperende Friese vlag, vastgebonden aan zijn rechterbeen. Hé, dat is toevallig, die man heb ik gisteravond op het journaal gezien. Ik vertel het aan Jan en zie dat de linker schaats van de man in de vlag haakt. Met een harde klap valt hij voorover op het ijs. Ik schrik en schiet in de lach en rij hem voorbij. Met de hoop dat hij zich niet ernstig heeft bezeerd en verder kan.
Wij schaatsen op een prachtig besneeuwd meer, en rijden voor het eerst vandaag tegen de wind in. Dit valt tegen, wat een ijskoude, harde wind! Wij naderen het plaatsje Sloten. Opeens snijden de ijzers diep in het ijs en dat remt af. De lengte van mijn slagen worden korter dan kort, en de slagfrequentie moet flink omhoog om vooruit te komen. Mijn ademhaling versnelt en de kracht vloeit al snel uit mijn benen. ‘Dit is zwaar, heel zwaar’, mopper ik hardop. Gelukkig moppert Jan met mij mee. Han gooit het op verbeelding, omdat veel schaatsers ons passeren.
Bij de stempelpost van Sloten kom ik per ongeluk, oog in oog te staan met een stempelaar. Ik schaats er vandoor en voel een verbaasde blik in mijn rug prikken. Even later rijden wij door de smalle gracht van het vestingstadje Sloten, de kleinste stad van de elf. Wij schaatsen in een kerstkaart. Enthousiaste mensen juichen ons toe. Heerlijk, dit voelt goed. Gelukkig is het ijs hier een stuk beter. Wij schaatsen verder naar Stavoren, de vierde stad van de elf.
Wij draaien een smalle sloot op, met veel scheuren in het ijs. Opletten Peter, concentreer je! Behendig rijden we alle drie langs en over de scheuren heen. Dan zie ik aan weerskanten van de sloot borden staan. Met grote letters wordt er een geheime controlepost aangekondigd.
Hoe werkt dat?
Worden we één voor één van het ijs gehaald, en gecontroleerd op een startbewijs?
Daar is de controlepost … de officials staan aan de kant van de sloot te stempelen. Kunnen wij er langs schaatsen?
Zo te zien … is dat mogelijk. Wij versnellen en passeren, zonder te worden aangehouden, deze geheime stempelpost. Opgelucht rijden wij verder.
Wij bereiken Stavoren, de oudste stad van Friesland aan de rand van het IJsselmeer. Het is er gezellig druk. Wij schaatsen langs zeilbootjes en grote kotters, vastgevroren in het ijs. De nostalgische wintersfeer past helemaal bij deze klassieke schaatstocht. Veel schaatsers stoppen en genieten van het prachtige uitzicht. Wij rijden door.
5. In de trein
Na het havenstadje Stavoren neemt de route een lichte bocht richting het Noordoosten. De ijskoude, harde wind klapt tegen mij op - ik sta bijna stil. Mijn lange slagen worden korter en moeten feller. Han, Jan en ik rijden achter elkaar, in schaatstermen: een treintje. We sluiten aan bij rijders voor ons en vormen zo samen een lange trein. De bedoeling is dat er om beurten op kop wordt gereden. De rijder op kop schaatst tegen de wind in, bepaalt het tempo en zorgt ervoor dat de anderen uit de wind rijden. Wij rijden op een smalle sloot langs een kronkelig dijkje. Hoewel deze trein niet zo snel gaat, en ik achteraan uit de wind rij, heb ik toch moeite met het tempo.
Het afzien begint en langzaam komen de eerste gevoelens van spijt bovendrijven; waarom ben ik in hemelsnaam ongetraind aan deze zware tocht begonnen?
Ik concentreer op de techniek: diep zitten en zijwaarts afzetten. In mijn jonge jaren heb ik niet goed technisch leren schaatsen. Ik wilde te snel, net zoals al mijn vriendjes, op noren schaatsen. Mijn moeder kon voor haar trouwen goed schaatsen, en leerde mij de eerste slagen op houten doorlopers. Eenmaal zonder stoel reed ik eigenwijs het smalle beginnersslootje uit. Ik kon schaatsen… niet dus. Ik deed maar wat en leerde mezelf een verkeerde techniek aan.
Na veel zeuren mocht ik de lage noren van mijn moeder lenen. Op enthousiasme en wilskracht schaatste ik kriskras door de polder. Ik dacht: hoe sterker je bent, hoe sneller je schaatst, en had niet door dat techniek de snelheid bepaalt.
Had ik maar beter geluisterd naar, de technische aanwijzingen, van mijn moeder (Mijn vader was toen al overleden.).
Na het pittoreske Hindelopen schaatsen wij direct door richting Workum.
Hé, daar staat een man met een tuinslang een teil te vullen met water. Wij stappen uit het treintje. Ik krijg een plastic bekertje aangereikt en vul ’m met lauw water uit de teil. Dit had ik even nodig.
Wij bedanken vriendelijk en sluiten achteraan bij een nieuw treintje. Die gaat te snel voor mij. Ik moet lossen, kom alleen te rijden en volg de schaatssporen op het ijs.
Ik schaats tussen de witte weilanden, voel mij weer dat jongetje van vroeger, die in zijn uppie, tegen de wind in, puur op wilskracht, meters maakt. Op avontuur naar het onbekende dorpje in de verte. Vandaag zijn het geen dorpjes maar elf steden. Hoewel ik een Friese achternaam heb, ben ik voor het eerst in Friesland. In dit avontuur ontdek ik het land van mijn voorouders, stad voor stad, in één dag.
Na twintig minuten knokken en afzien ga ik rechtop staan, strek even mijn rug en schud mijn benen een voor een los. Ik kijk achterom en zie tot mijn grote verbazing een hele lange sliert schaatsers — ik ben de kopman van een treintje.
6. In z’n blootje
In het schilderachtige Workum staan Han en Jan op mij te wachten. Ik moet pauzeren jongens? Even naar het toilet, iets eten, wat drinken. Ik kan zonder dat, echt niet verder schaatsen.
Han en Jan willen liever doorrijden, maar laten mij niet alleen achter, zij zien bij mij de vermoeidheid.
Wij trekken de schaatsen uit en stappen een café binnen. Het is er bomvol. Ik sluit aan bij een treintje voor de wc, na tien minuten neem ik de koppositie over.
Mijn tosti staat klaar. Ik eet ’m trillend in kleine stukjes op. Ik voel mij zwakjes. Hoe nu verder, ga ik het redden om de tocht uit te rijden? Ik voel mij schuldig tegenover Han en Jan, vanwege mijn slechte conditie en deze lange, ongeplande pauze die veel tijd kost. Wij zijn nog niet eens bij Bolsward, de stad waar we voor het eerst zouden gaan pauzeren.
Jan trekt nog één shirt uit, en zit nu zowat in zijn blootje aan tafel. Hij legt zijn kleding op de verwarming. Achter hem zit een keurig gezinnetje uitgebreid te lunchen. Zij kijken verrast en verbaast naar Jan. Ik schiet in de lach.
Ik neem de laatste slok van mijn glas cola en besluit verder te schaatsen. Met hart en ziel. Hoe geweldig zou het zijn als ik de tocht kan volbrengen. Het voelt als nu of nooit om mijn schaatsdroom waar te maken. ‘Doorzetten, Peter’, zeg ik tegen mijzelf. Je moet deze eenmalige kans in het leven pakken. Dit is sinds 1909 pas de vijftiende tocht. Mijn zoon Nick is een peuter en heeft geen idee aan welke uitdaging ik vandaag meedoe. Maar één ding weet ik zeker: wat zal hij later trots op mij zijn, maar dan moet ik de tocht wel uitrijden.
Als wij het ijs opstappen, voel ik mij ietsjes sterker, maar wat is het koud. Even later koop ik bij een koek & zopie kraam twee blikjes energiedrankjes en drink ze meteen allebei op. De beste beslissing van de dag. Ik krijg, tot mijn grote vreugde, weer wat energie.
7. Fopstad
Wij schaatsen in een lekker tempo door naar Bolsward en besluiten om direct door te schaatsen naar Harlingen. Af en toe buigt de route af richting het westen, daardoor een windje in de rug. Lekker.
Harlingen, die plaats daar in de verte, dat moet wel Harlingen zijn. Fijn, dat we daar al bijna zijn. Wat staan er veel mensen boven op de brug. Een hoempaband zorgt voor een geweldige sfeer. Iedereen danst, zingt en zwaait naar ons. Na de brug volgt er een bocht. Wij strekken de benen door rechtop te gaan staan, en spreken af om na de bocht een koek & zopie te zoeken, om daar even te gaan zitten met een warme chocolademelk.
Na de bocht krijgen wij onverwachts een weids uitzicht over witte weilanden.
En Harlingen dan?
Nog even doorschaatsen!
Een flinke tegenvaller, maar het schaatsen gaat me nu goed af, ik drink regelmatig en rij niet boven mijn macht.
Dan wenkt een jonge knappe vrouw ons. Wij stoppen en krijgen van haar spontaan koffie en een broodje met kaas. Haar zwager was zonder te stoppen voorbij gereden. De sukkel.
Ik krijg weer praatjes en dat is maar goed ook, het zwaarste gedeelte ligt nog voor ons. Wauw - dit is Harlingen, wat een hoop toeschouwers. Ook hier danst, zingt en zwaait iedereen naar ons. De enthousiaste aanmoedigingen raken mij. Heerlijk.
Ik brul hier en daar wat terug naar het publiek, waardoor zij ons nog harder toejuichen. Dat motiveert. Bij mijn volgende brul ga ik rechtop staan, en zwaai ik enthousiast naar het publiek. Daardoor zie ik de brug niet. Ik buk razendsnel en raak met mijn hoofd de onderkant van de brug net niet, maar val wel hard op mijn rechterschouder en bil. Door mijn snelheid glij ik onder de smalle brug door het havenmeertje op.
Ik krabbel overeind en zie een grote menigte op de kade staan zingen, dansen en lachen. Ik lach breeduit terug en schaats voorzichtig achter Jan en Han aan.
Ondanks mijn pijnlijke bil en schouder voel ik mij beresterk. We pauzeren kort en gaan door naar Franeker – zeventien kilometer schaatsen.
Wat is dat nou … een schaatsersfile! We stuiten op een lange rij schaatsers bij een smalle kluunplaats, vlak voor een brede autoweg. Heel langzaam, stap voor stap, beter gezegd schaats voor schaats, komen we aan de overkant. We zijn nu vlak bij de Waddenzee.
Het begint te schemeren. We schaatsen relaxed door naar de volgende kluunplaats.
Bam!
Vlak voor mij valt een schaatser achterover in een plas water op het ijs. Het water spat alle kanten op en de schaatser is drijfnat. Toevallig raak ik later op de avond in gesprek met deze schaatser. Hij vertelde dat hij na zijn val bij een EHBO-post, van een toeschouwer droge kleren en droge sokken had gekregen. Hij vond dat geweldig en is superblij dat hij kan doorrijden.
Gelukkig kon ook ik doorrijden na mijn val in Harlingen, maar het dringt tot mij door dat een stomme val de hele tocht kan verpesten.
Scherp blijven, Peter!
8. In het donker
Han rijdt ijzersterk, de hele dag al. Hij schaatst veel op kop, en loodst wederom een treintje door het weidse winterlandschap heen. Zo bereiken wij Franeker. Wat hangt hier een gezellige schaatssfeer. Het enthousiaste publiek geeft ons een boost.
Wij hebben honger. Bij een snackwagen, die vol in de wind staat, koop ik wat marsen, koeken en drinken. Van stilstaan krijgen wij het koud, wij gaan verder.
Het is inmiddels pikdonker, ik praat mezelf moed in om door te gaan naar het o zo beroemde plaatsje Bartlehiem. Han, die energie over heeft om te praten met andere rijders, hoort over een tijdslimiet. Wanneer je te laat aankomt bij Dokkum, mag je niet verder rijden naar Leeuwarden. Han spoort Jan en mij aan om tempo te maken, 'zo min mogelijk pauzeren jongens; anders worden wij in Dokkum van het ijs afgehaald.' Ik voel mij een beetje schuldig vanwege de ongeplande en lange lunchpauze in het café. Dus doorrijden, Peter!
Wij berekenen dat er totaal nog zo’n zeventig kilometer moet worden geschaatst. In het donker! Eerst dertig kilometer met wind tegen naar Bartlehiem, daarna vijftien kilometer met wind tegen naar Dokkum, en dan met de wind in de rug nog vijfentwintig kilometer naar Leeuwarden.
Dertig kilometer schaatsen naar Bartlehiem, dat is een Bannetocht, houd ik mezelf voor. Dat kan ik, dat heb ik vaker gedaan, ook in het donker. Met vriend Ronald Ootes. Als er op werkdagen ijs lag. Stapten Ronald en ik 's ochtends om vijf uur, in het donker, het ijs op om de Bannetocht te rijden. Daarna even douchen en door naar het werk.
9. Vriendelijke Friezen
De sloten worden smaller en het ijs nog slechter. Stuk gereden door de duizenden rijders voor ons. Ik hoor regelmatig iemand onderuit gaan, en probeer de diepe, lange scheuren in het ijs te ontwijken. Er wordt niet gewacht op dé vallende schaatser; de treintjes rijden stoïcijns door. Alleen kameraden wachten op elkaar, als zij opmerken dat een van hun is gevallen.
Een aantal rijders dragen zaklantaarns op hun hoofd of op hun borst, sommigen houden er eentje vast in de hand. Slim. Geen seconde aan gedacht om er zelf eentje mee te nemen.
Ik heb mazzel: ik rij vlak achter iemand met een zaklantaarn, daardoor heb ik goed zicht op het ijs. Pats!
Daar valt iemand met een harde schreeuw … en ik rij in het donker. Drie keer raden wie er met zijn schaats in een scheur is terechtgekomen. Ik schiet in de lach, dat nou juist de man met de zaklantaarn onderuit ging. Het treintje rijdt door.
‘Rechts aanhouden!’ klinkt het plotseling luid.
Ik zie niemand, maar manoeuvreer meteen naar de rechterkant van de sloot. Top, dat de Friezen in het donker aanwijzingen geven als zij schaatsers horen aankomen. Zo loodsen zij vermoeide rijders veilig langs lastige stukken ijs, en voorkomen zij struikelpartijen bij paaltjes in het ijs.
Het kost mij steeds meer moeite om te klunen bij bruggen en wegen. Laat ik eerlijk zijn: ik kan bijna niet meer bukken of klimmen bij een bruggetje, de flexibiliteit is eruit geschaatst.
Gelukkig worden we hartstochtelijk aangemoedigd, dit verzacht enigszins de pijn van de verkrampte spieren in mijn benen en rug.
Wat zal ik doen bij dit bruggetje: er langs klunen of er onderdoor kruipen? Ik kies voor de makkelijkste manier, en laat mij op de knieën vallen. Ik kruip moeizaam onder het bruggetje door.
Opeens word ik bij mijn armen beetgepakt.
Hé, waarom?
Twee Friezen tillen mij omhoog.‘ Je bent er al onderdoor hoor! Kop op man, volhouden.’
Bij een volgende kluunplaats krijg ik een bekertje lauw water - dat je zo blij kan zijn met een bekertje lauw water. Top.
Het bekertje geef ik terug voor de volgende rijder.
Bij dijk op en dijk af, is er een leuning van Friezen. Zij begeleiden ons hand voor hand naar boven, en hand voor hand naar beneden. Bij iedere handdruk zeg ik: ‘Gelukkig nieuwjaar!’ De Friezen lachen vriendelijk terug — ik ben soms zo grappig.
Bij een gezellig verlicht stuk ijs met koek & zopie, houden wij, ondanks de tijdslimiet, even pauze. Ik probeer mijn benen los te schudden en neem een warme chocolade melk. Het losschudden helpt voor geen meter; mijn beenspieren blijven stijf en pijnlijk aanvoelen. Na deze stop kom ik maar moeilijk op gang. Na een tijdje stram schaatsen, nemen wij een ruime bocht naar de volgende sloot. Daarnaast staan zij aan zij een hele rij auto’s opgesteld, die met hun koplampen het ijs verlichten. Goed bedacht en uitgevoerd. Daardoor kunnen wij de vele diepe scheuren en een aantal paaltjes ontwijken, er valt niemand. Dank jullie wel.
‘Nog achttien kilometer tot Bartlehiem, hou vol,’ hoor ik iemand roepen. Zo veel nog. Ik concentreer mij op elke slag en tel in gedachten de kilometers af.
Vijftien minuten later: ‘Nog eenentwintig kilometer tot Bartlehiem!’‘ Shit,’ vloekt de schaatser voor mij, ‘hoe kan dat nou!’
Bam! Mijn moreel krijgt een flinke dreun. Na een paar flauwe grappen over Friezen, zet ik mijn gedachten op nul, en probeer ik in het slagritme van het treintje te blijven schaatsen. Tevergeefs.
Ik moet lossen. Weg beschutting - de ijskoude wind waait nu keihard recht in mijn gezicht. Ik moet in m’n uppie verder, en voel mij moederziel alleen. Ik ga stug door, knok voor elke meter, en ontwikkel toch een vast schaatsritme. Door de monotone schaatsbeweging ga ik dagdromen. Mijn gedachten vliegen vrij alle kanten op, waardoor pijn en tijd naar de achtergrond verdwijnen.
Ik kijk even op uit mijn dagdroom en zie tot mijn verbazing veel lotgenoten. Die net als ik, moederziel alleen rijden. Af en toe klamp ik bij iemand aan of duikt er iemand achter mijn rug, maar toch vormen wij geen treintjes. Het is ieder voor zich, in z’n eigen tempo, met z’n eigen dagdromen.
Plotseling doemt Bartlehiem voor me op. In de luwte van een paar huizen schaats ik onder het bekendste bruggetje van Nederland door. Super. Ik heb Bartlehiem gehaald. Daar zie ik Han en Jan.
Han oogt nog fit, maar Jan ligt uitgeput langs de slootkant.
Wij begroeten elkaar en drinken wat.
10. Naar Dokkum
‘Hé Peter, jij hier, hoe gaat het? Wacht even, ik ga je filmen.’
Opeens sta ik voor een filmcamera van de NOS.
Ik herken de cameraman, hij is een oude vriend van mij, Ronald Hoes. Vorige week kwam ik ‘m nog tegen op de schaats, maar wel met beschermers om, in het dorpscafé De lepelaar te Jisp. Wij dronken daar samen een biertje, en hij vertelde enthousiast over zijn nieuwe droombaan als cameraman. Wat een toeval, dat wij elkaar nu hier in Bartlehiem tegenkomen.
Al improviserend vertel ik een verhaaltje voor zijn camera, heb nu geen idee meer wat ik toen zei. Ronald lacht; ‘ik hoor van de regie dat je op beeld bent geweest. Ik moet nu verder met het filmen van andere rijders. Succes Peter’
Han probeert Jan en mij op te peppen voor het loodzware laatste stuk tegen de wind in naar Dokkum. Dat lukt bij mij, ik krijg weer een beetje energie, moed en zin.
Maar Jan heeft het zwaar, hij zegt niet veel. Jan is van het zorgvuldig calculeren van situaties. Nu stoppen, nee dat zeker niet. Onverstandig doorgaan is ook voor Jan de beste optie.
Han dringt aan, wij moeten nu verder. De tijd raakt op. Bij doorschaatsen komen wij binnen het tijdslimiet aan in Dokkum. Ondanks de zwaar vermoeide benen rijden wij al snel in een lekker tempo over de Dokkumer Ee richting Dokkum.
14 kilometer, een halve Bannetocht. Verstand op nul, schaatsen!
Han, wie anders, rijdt op kop van ons treintje met gammele wagons, waar steeds meer rijders aanhaken. Het is donker op de vaart en wij schaatsen tegen de wind in.
Een gedachte houdt mij op de schaats, na Dokkum blaast die harde wind in mijn rug. Leeuwarden, wij komen eraan!
O nee, veel te optimistisch. Ik kan na een aantal kilometers het tempo niet volgen, en kom voor de zoveelste keer alleen te rijden.
In the middel of nowhere. Ik zie niks, geen Dokkum, geen andere rijders, geen toeschouwers, alleen het ijs vlak voor mijn neus.
Bij het sporten heb ik geen - over mijn lijk - winnaarsmentaliteit.
Ik hoef van mezelf niet overal de beste in te zijn. Maar heb wel de drive om ergens goed in te willen zijn. Ik wil graag iets mooi laten zien qua techniek, tactiek of een eigen stijl waar andere van onder de indruk raken. Ben zeker aanvallend ingesteld, maar speel een wedstrijd meer om het spel zelf, dan om het eindresultaat. Ik speel bij tennis en voetbal, wanneer ik geen enkele kans maak op de winst. Enthousiast en aanvallend door tot het eindsignaal.
In individuele duursporten wil ik graag een fysieke prestatie neerzetten, echt afzien. Waarom? Op school liep ik met gym al mijn klasgenoten eruit, ook de voetballers – ik gaf nooit op en zette door. Dat gaf mij een goed gevoel, hét gevoel dat ook ik iets bijzonders kan.
Nu, hier op de Dokkumer Ee, komt het aan op afzien en doorzetten. Volhouden Peter. Blijven schaatsen, je moet de tocht uitrijden, voor jezelf.
Krijg nou wat … zie ik daar in de verte de lichten van Dokkum opdoemen. Dichterbij, hoor ik het geluid van een feestende mensenmassa, ik zie de contouren van de molen van de Friese stad. Even later rij ik de tiende stad van de tocht binnen. Iedereen juicht en zwaait naar mij. Ik voel mij een topsporter. Dit heb ik nog nooit meegemaakt. Het voelt goed, heel goed.
Een official gebaart mij om naar de stempelpost te komen. Ik schaats erheen, doe net alsof ik mijn stempelkaart zoek, en rij dan de andere kant op. Het is wel even een overgang van kilometers alleen schaatsen in de stilte van de nacht naar een gigantische hossende menigte op de kades.
Ik schaats langs dikke bontmutsen met daaronder politieagenten, en kom onbedoeld weer voor een tv camera te staan. Ik vertel enthousiast iets over hoe zwaar het schaatsen is, en hoe geweldig het publiek is. Ik krijg snel een gebaar dat het intervieuwtje is afgelopen. Zij hebben mijn verhaaltje zeker al honderden keren gehoord.
11. Bevroren ogen
Ik zie Jan en Han op een van de houten bankjes zitten. Ik plof tegenover hen neer, en zie naast mij een man met ijspegels in zijn baard. Een beeld dat ik vroeger op de tv zag van de tocht van 1963. De tocht die mij inspireerde. Naar de ijspegels kijkend, voel ik hét opeens: het is nu écht, dit is dé Elfstedentocht.
Jan eet bibberend van de kou en vermoeidheid, kleine stukjes sinaasappel. Een metertje achter hem, staan rijen toeschouwers te zingen en te dansen op Hollandse meezingers.
Wat een feest, wat een sfeer!
Jan kijkt niet op of om, hij zit daar helemaal alleen in z’n eigen wereldje.
Een official spreekt ons toe: jullie moeten verder gaan. Vanwege de tijdlimiet sluit deze stempelpost; daarna mogen wij niemand meer door laten gaan.
Wij staan stijfjes op. Opeens pakt Han, Jan bij zijn arm.
Zij rijden naar de EHBO-post.
Wat is er gebeurd, wat heb ik gemist, een valpartij?
‘Jan heeft last van bevroren ogen,’ vertelt Han.
De EHBO’er onderzoekt Jan zijn ogen en voelt uiteraard aan, dat Jan de tocht wil uitrijden. Na een korte behandeling geeft hij Jan toestemming om door te rijden. Wat een opluchting.
Wind mee, wind mee, we hebben de wind in de rug. Hoera. Maar ik vlieg niet over het ijs. Integendeel. Mijn vermoeide, stijve spieren krijg ik niet meer aan het werk. Zij zijn klaar voor vandaag. Door de wind ga ik toch vooruit. Jan slingert over het ijs. Dat gaat niet goed. Han ziet het ook. Hij gaat naast hem rijden en reikt zijn schaatsbeschermers naar Jan. ‘Pak vast, Jan?’ Hand in hand, rijden zij samen verder. Han laat niemand achter.
Wij passeren weer Bartlehiem, het is er nu rustig. Plotseling komt de wind van voren. Hoe kan dat nou? Wij zouden toch alleen maar voor de wind rijden? Wat valt dit tegen. Ik verman mij, en probeer puur op techniek te blijven schaatsen. 'Wij gaan toch zeker wel de tocht uitrijden, dus goed blijven schaatsen Peter,’ pep ik mezelf op.
12. Rij door Rij door
Toeschouwers roepen; dat als wij flink doorschaatsen, wij voor twaalf uur kunnen finishen. Binnen voor twaalf uur, dan krijg je het Elfstedenkruisje. Een seconde na twaalven is te laat, dan sta je met lege handen.
Wij rijden zwart mee en krijgen sowieso niks. Eerlijk gezegd maakt mij dat helemaal niets uit. Ik rij puur voor de prestatie, om een jongensdroom te laten uitkomen.
Wij schaatsen over een kronkelige, brede rivier, maar wat is dat lawaai boven onze hoofden!
Ik kijk op en zie tot mijn verbazing een helikopter.
Een paar seconden later schaatsen wij in het licht van zijn schijnwerper.
Ik zit in een actiefilm!
Wel makkelijk schaatsen zo; een perfect verlichte ijsvloer. Even later schaatsen wij in het donker, de spotlight zoekt naar schaatsers achter ons.
Wij schaatsen gemotiveerd door, ik verheug mij erop dat wij het gaan halen. Wat een topdag. Ik zie lichten voor mij opdoemen. Daar moet de finish zijn. Super.
Dichterbij, wat een fel licht. Ik zie niks.
Dan hoor ik luid gevloek van de schaatsers voor ons. (Door het felle licht zagen zij de scherpe bocht van de sloot niet, en zijn ze tegen de slootkant aangereden.)
‘Pas op, pas op!’, roepen zij richting ons.
Ik rem direct en kan op het nippertje, zonder iets te zien, zonder te vallen, de bocht nemen.
‘Bedankt!’
Wij schaatsen op De Bonkevaart, het is nog een ‘klein’ stukkie tot de finishlijn. Vanaf de kant roepen mensen: ‘Rij door, rij door, het is bijna twaalf uur!’
Ik haal alle kracht die nog ergens diep van binnen zit eruit; ik sprint naar de finish. Ojee, wat staan er veel mensen.
Ik rem af.
Val keihard.
Glij over de finish heen.
Gehaald, ik heb het gehaald. Han en Jan finishen hand in hand.
Yes, een minuutje voor twaalf, alle drie, over de finishlijn.
Op tijd. Super!
Wij genieten intens en lopen met Jan nog even langs de EHBO.
Wat nu, hoe komen wij bij de auto? Han weet de oplossing. Wij kunnen meerijden met bussen naar de starthal. De schaatsen kunnen uit, de pijnlijke voeten gaan in de schoenen. Als een stel oude bejaarden schuifelen wij moeizaam naar de bus. Tenminste, ik doe dat. Han en Jan lopen normaal.
In de bus wordt Han aangesproken door de schaatser die naast hem zit.
‘Ik zie niets meer,’ zegt de beste man.
Bevroren ogen, concludeert Han, en hij regelt dat de bus stopt bij een EHBO-post.
Even later vinden wij de auto terug, en beginnen wij aan een rit van 130 kilometer.
Han brengt ons veilig thuis.
13. Trots
Pas na afloop van de tocht hoorde ik, dat er niet werd gecontroleerd op het dragen van een oranje band om je bovenarm. Er waren te weinig banden voor de officiële rijders; er was namelijk een grote doos met duizenden banden gestolen. Tijdens de tocht wist ik niet dat er niet zou worden gecontroleerd. Bij elke kluunplaats en stempelpost was ik bang om van het ijs te worden geplukt.
De volgende morgen kon ik mijn beenspieren bijna niet meer bewegen en deed mijn hele lijf zeer. Ik tijgerde de trap af naar de bank in de woonkamer. Daar bleef ik de hele dag op liggen.
Kijkend naar nieuws en herhalingen van de Elfstedentocht op tv.
Ik kon mijn zoon Nick overhalen om een pak melk en een beker te brengen. Zelf naar de ijskast gaan zat er niet in.
Mijn echtgenote Hetty had via de tv de Elfstedentocht gevolgd. Het is nu, met mobieltjes en apps, bijna niet meer voor te stellen, maar Hetty hoorde pas diep in de nacht bij mijn thuiskomst, dat Han, Jan en ik de tocht hadden volbracht.
De volgende dag ging Hetty schaatsen. Zij kwam Han tegen op het ijs. Hij had de Bannetocht gereden. Jan daarentegen heeft urenlang in bad gelegen om de spieren te laten ontspannen en was er niet veel beter aan toe dan ik.
'Han en Jan, bedankt mannen.
Zonder jullie had ik de Elfstedentocht nooit gereden.'
Mijn moeder was vooral blij dat ik heelhuids was thuis gekomen, dat er geen vingers, tenen of nog iets ergers, onherstelbaar was bevroren.
Wij waren zeker niet de enige zwartrijders. Veel leden van de Friese Elfstedentocht, die uitgeloot waren voor deelname, reden ook zwart mee.
Wij hebben geen foto’s van die dag. Ondanks dat ik twee keer ben gefilmd, heb ik daarvan geen enkel fragment gezien. Jammer.
Mijn vader was een goede fotograaf, en een van de eerste in de jaren zestig met een filmcamera. Zijn favoriete onderwerp; zijn twee zonen Peter en Rob. De film Peter in Artis, is een echte klassieker in de familie. Helaas overleed mijn vader toen ik zeven jaar oud was. De film Peter schaats de Elfstedentocht, had hij denk ik graag willen filmen.
Geen Elfstedenkruisje, heb ik nooit als een gemis ervaren - ik heb de tocht der tochten volbracht. Van het ijs worden gehaald in Dokkum, dat was niet leuk geweest!
Ik heb na afloop van de tocht gezegd;
Bij een volgende Elfstedentocht ga ik langs de route staan, met een grote sporttas vol lekkere broodjes, bananen en energiedrankjes. Alles gratis uitdelen aan figuren zoals ik.
Wie weet komt het er ooit nog van.
Ik verheug mij erop.
Dankjewel voor het lezen van Mijn Elfstedentocht.
Wil je een reactie en/of beoordeling geven. Dat zou ik heel leuk vinden. Die kun je onderaan plaatsen, scrol even naar beneden.
Dankjewel.
Groet Peter Haitsma
Zin om meer verhalen van Peter te lezen, klik dan hier N O V E L L I













Wat een verborgen schrijver komt hier te voorschijn.
Super prestatie geleverd en een prachtig verhaal ervan gemaakt. Erg leuk om te lezen.
Daarom soms de vraag: zou er nog natuurijs komen?
Ongelofelijk genoten van je verhaal Peter, alsof ik hem zelf heb geschaatst. Ik zou dat overigens nooit gekund hebben haha, maar dat is een ander verhaal. Ik zat er echt helemaal in. Heb het ook nooit geweten dat jullie dit met z’n drietjes hebben gedaan en kom toch al heel wat jaartjes bij jullie over de vloer. Nu weet ik ook van wie Nick het schrijven heeft. Je zou er toch eens over na moeten denken om zelf ook een boek te gaan schrijven. Jeanette
Prachtig Verhaal!
Peter, wat een geweldig verhaal, ik lees mijn exacte Elfstedentocht verhaal helemaal terug, Met een stempelkaart laten maken bij een drukkerij in Purmerend en Oranje band gemaakt door me meissie, gingen we met twee auto's vanaf t,Kalf naar de Zwette, met vieren starten we na de wedstrijd rijders en om 6.30u schaatste we in no time naar Stavoren, daarna begon het afzien en net zoals jij, koos ik me eigen treintje. Onderweg werd ik ingehaald door Johan Olav Koss, Evert van Benthem, Jos Niesten en Co Gieling, wat een stijliste.
Eenmaal in Harlingen kon ik rustig pauzeren, toevallig naast Harry Steur van S.T.G Zaanstreek en me familie stond langs de kant om me aan te moedigen.
Het van Harixmakanaal van…
Prachtig verhaal Peter